Leef ik nog of sterf ik al?
Lees het verhaal 'Leef ik nog of sterf ik al?' van Jacques Graus, waarin hij zich afvraagt: ‘Begint bij je geboorte je leven of je dood?’
Op zesjarige leeftijd overviel mij het raadsel. Tijdens mijn laatste bezoek aan mijn grootvader, toen hij opgebaard lag. Opgebaard is een woord dat ik voor het eerst door mijn moeder hoorde gebruiken. Het moest volgens mij iets met zijn ruige baard te maken hebben. Iemand zonder baard kon niet opgebaard liggen, dacht ik. Mijn opa was mijn eerste dode.
Het raadsel bekroop me op het moment dat ik hem met mijn vingertoppen aanraakte. Die ogenblikkelijk in diepvriestoppen veranderden. Nog steeds kan die kou me doorgloeien. Een kou die zich ontvouwt als een binnenstebuitengekeerde want met bonten voering. De warmte naar buiten, de kou naar binnen.
Mét de kou drong het tot me door: opa was nu helemaal dood.
Meer dood dan levend hadden ze hem thuisgebracht, had ik mijn moeder horen zeggen. En de laatste dagen was hij elke dag een beetje meer doodgegaan.
Het was ook zijn wens om thuis te sterven. In het verzorgingstehuis at hij niet meer, zelfs geen medicijnen. En met ‘thuis’ bedoelde hij zijn vroegere huis. Ons huis.
Daar de kou nooit echt uit mijn vingertoppen verdween, begon ik me af te vragen of ook ik al bezig was heel langzaam te sterven. En groeide er een wezensvraag in mij over hoe een mens ter wereld komt: als levend wezen dat steeds levendiger wordt, of als een wezen dat eigenlijk vanaf het moment dat hij het levenslicht ziet, al begint met sterven, zoals een batterij die langzaam leegloopt.
‘Begint bij je geboorte je leven of je dood?’ durfde ik eens plompverloren te vragen aan de kapelaan die bij ons op school godsdienstles gaf.
Ik werd weggehoond door zowel mijn klasgenoten als door de kapelaan. Die me later niettemin apart nam en me vertelde over het zaad dat in goede aarde viel, daarna wortelschoot en opgroeide tot een volwassen plant om op zijn beurt zaad te produceren en nieuw leven te brengen.
Ik begreep toen niets van wat hij zei en moest al helemaal niets hebben van de handen die geruststellend naar mij uitgestoken werden.
‘Zijn jullie meer levend dan dood, of meer dood dan levend?’ vroeg ik aan alle dieren die ik tegenkwam en aan alle bomen en planten in het bos. De meeste dieren overtuigden mij van het eerste, veel bomen en planten van het laatste.
Tijdens mijn hele jeugd bleef het mij bezighouden. Als het al zo is, dacht ik, dat je leven begint met leven, op weg naar een moment van volmaakte bloei, waar ligt dan precies het omslagpunt? En ik bekeek de mensen om mij heen nog kritischer. De meeste volwassenen met kinderen waren duidelijk over hun hoogtepunt heen. Mijn eigen vader en moeder incluis. Misschien was hun verval wel begonnen vlak na mijn geboorte.
Als volwassene heb ik bij mijzelf geen hoogtepunt of ‘sterkste’ moment kunnen ontdekken. Vaak heb ik zelfs het idee dat dit nog moet komen. Het ligt er natuurlijk ook maar aan waar je het over hebt. De meeste atleten leveren vóór hun dertigste hun beste prestaties, maar bij denksporters bijvoorbeeld ligt dat heel anders. Zo blijven bridgers zelfs na hun zeventigste nog goed presteren. Bij regeringsleiders ligt het toppunt van macht en gezag vaak op nog hogere leeftijd. En Boeddha bereikte zijn moment van verlichting pas op zijn tachtigste jaar.
Wat ik las over levens- en stervensprocessen maakte me ook niet al te veel wijzer. In de moederschoot is er voornamelijk groei (= leven) te constateren, al zijn er genoeg afvalstoffen die via de navelstreng afgevoerd worden. Bij de bouw van een huis moet ook het nodige naar het stort. Maar bij een huis is de eerste steen al meteen ‘na de leg’ aan slijtage onderhevig. Is de blastula, die zich een week na de bevruchting in de baarmoederwand nestelt iets als een eerste steen?
Zodra er cellen afsterven, zeker hersencellen, zou je al van een stervensproces kunnen spreken. Snurken bijvoorbeeld is slecht. De hersenen krijgen dan te weinig zuurstof. Waardoor er hersencellen afsterven. Baby's snurken al. Ook tijdens de zwangerschap!?
Van sommige gebruiksvoorwerpen wordt gezegd dat ze al liggen te roesten in de folder. Lig je soms ook al als foetus te ‘roesten’ in de buik van je moeder?
Vlak na de geboorte is alles nog onvolgroeid. De fontanellen moeten dicht- en het hele lijf moet opgroeien. Alle stapjes van baby naar peuter, naar roofbouwleerling en adolescent moeten doorlopen worden. En dan ben je uitgegroeid (= uitgeleefd?). Afgestudeerd, klaar om een carrière te beginnen, een gezin te stichten. Je zou zeggen: dan begin je pas met (het echte)leven!
Intussen weet ik dat beide processen van opbouw en afbraak tegelijkertijd plaatsvinden. Onze cellen blijven zich delen, ons bloed blijft als levenbrengend water door onze aderen stromen. Om de zoveel tijd (men beweert elke zeven jaar) vernieuwt een mens zich daarbij totaal. Met huid en haar. Maar tot welk moment is dat groei, leven te noemen? En wanneer wordt het afbraak, dood? Van de mens wordt nu eenmaal gezegd dat hij een sterveling is, geen groeiling.
Voor mijn eigen gevoel was dat moment dus op mijn zesde levensjaar. Toen mét de kou de dood mijn lijf binnen sloop. Door de dood moet je aangestoken worden, dacht ik als kind. Ik was door mijn grootvader aangestoken. Vanuit mijn hand zou mijn lichaam kouder en kouder worden. Zoals een vrieskou, die tot totale bevriezing leidt.
Mijn moeder trok om de zoveel tijd een streepje op het behang. Om het hoogste punt van mijn schedel aan te geven. Zonder schoenen aan stond ik mij dan uit te rekken tegen de muur. Ik weet dat ik nu al zeker een cm minder groot ben dan mijn hoogtepunt. Jammer genoeg heb ik de streepjesmethode zelf niet doorgezet en dus het precieze moment gemist waarop mijn lichamelijke afgang begonnen is.
En geestelijk?
Als je Abraham ziet krijg je een hogere wijsheid aangereikt. In je werk ga je beginnen aan je laatste seizoen. En dan word je zestig. Plus! Je vreest de leegte in je hoofd. De steeds grijzer wordende massa.
Maar tot mijn grote geluk gloeien er volop lichtpuntjes. Er is steeds minder om je zorgen over te maken. En dan zijn er de kleinkinderen die nieuwe groei in het leven brengen. Bij hen sta je nooit aan de kant, ze dompelen je onder in hun heerlijke warme bad.
‘Waar ben je, opa?’ vragen ze dan. En voor ik het weet, ontsnapt het me: ‘Ik ben er nog!’

Aan die cirkel valt voor organische materie niet te ontkomen. Slechts de ziel is in staat een uitweg te vinden, hoewel dit in de kern ook betrekkelijk is. Immers, aan het einde van de reis, wanneer alles volbracht is, keert de ziel weer terug in het Goddelijke. In de diepste zin is dit ook te beschouwen als dood van het zelfstandige individu. Doch vanuit deze krachtige energiebron ontstaan tegelijk weer nieuwe zielen, dus weer leven. Ik heb de dood beleefd en mocht er door genade uit terugkeren. Dood is slechts een vorm van transformatie. Alles in het universum is voortdurend in beweging, zij het steeds in wisselende gedaantes.
Klinkt vicieuze cirkel niet te onontkoombaar? Nergens een uitweg (Hemel of Verlichting), via een positieve, opwaartse spiraal? En moet je de dood begrijpen? Of gewoon: beleven!
Leven en dood vormen een vicieuze cirkel en zijn derhalve onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wie de dood niet begrijpt, zal ook het leven niet begrijpen.