Henk, waar begin je aan?

« Terug
Henk van der Vorst, al jarenlang Lemmens-auteur, blogt deze week over de totstandkoming van zijn roman De Zestigplusser, de jongedame en de Moor. 

 

Mijn roman De Zestigplusser, de jongedame en de Moor kent een lange voorgeschiedenis. Je kunt dit boek beschouwen als een rectificatie van mijn debuutroman Angst in Tétouan.

In de vroege jaren negentig bracht ik als docent filosofie met enkele vrouwelijke collega’s een bezoek aan het Rifgebied in het noorden van Marokko. Uit deze Berberregio waren mensen als gastarbeiders geronseld voor bedrijven in België en Nederland. Inmiddels waren er na het proces van gezinshereniging ook weer diverse families naar dit gebied teruggekeerd.

De onderzoeksopdracht voor mijn collega’s en mij luidde: ‘Bekijk eens of de kinderen van de migranten hebben kunnen aarden na terugkeer van hun ouders in een voor hen ongekend vaderland.’

 

Marokko werd destijds geregeerd door koning Hassan II. Deze despoot beschouwde de Rif als een tweederangsgebied. De repressie loog er niet om. Politie en leger stonden er in dienst van de terreur van de koning. Dit hebben wij aan den lijve ervaren tijdens onze bizarre reis door dit gebied.

 

Na deze onderzoeksreis werden een jongere collega en ik ingehuurd om op Euregioniveau  - Nordrhein Westfalen, de regio’s Luik en Hasselt-Genk, en Zuid-Limburg in Nederland - een migrantenproject van de grond te krijgen. Dit diende niet uit te gaan van het pamperen of het bevestigen van de slachtofferrol van Turkse en Marokkaanse immigranten in de Euregio Maas-Rijn. Uitgangspunt was het realiseren van een netwerkorganisatie van migranten die een topfunctie in het bedrijfleven of in de maatschappij - à la Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam - hadden veroverd.  Deze organisatie zou dan worden aangestuurd door zulke toppers. Mijn collega en ik werkten in hun dienst. Wij hadden succes, ook in Brussel, vanwaar wij jaarlijks Europese subsidie ontvingen.

 

Maar na zonneschijn mag je regen verwachten. Dit gebeurde ook nu weer. Mijn jonge collega bleek te lijden aan een ongeneeslijke ziekte en overleed een half jaar later. Zij was de spil in het migrantennetwerk geweest. Na haar dood verwaterde helaas het netwerkgebeuren.

 

In Marokko zelf volgde Mohammed VI zijn overleden vader op als koning en meteen waaide er een democratischer wind door het land. Zo kon de Rifstad Al Hocheima zich ontwikkelen tot een mondaine badplaats waar Belgische en Nederlandse jongeren van Marokkaanse afkomst jaarlijks hun zomervakantie doorbrengen. Dit was onder het regime van Hassan II onmogelijk geweest.

 

De verhalen en de mensen die ik tijdens de uitvoering van dit project heb ontmoet, waren de inspiratiebron voor De zestigplusser, de jongedame en de Moor. Maar hoe krijg je een tekst in romanvorm over bovenstaande op papier?

 

Als ik me aan het schrijven van een roman waag, overvalt me steeds een soort paniekaanval: ‘Henk, waar begin je aan?’ Het antwoord luidt steevast: ‘Ik weet het niet, God zegene de greep!’ en dan begin ik op ‘hoop van zegen’ regel voor regel.

De grote lijn van het verhaal heb ik meestal wel vooraf in mijn hoofd en de boodschap die ik uit wil dragen omvat veelal niet meer dan enkele zinnen. De rest moet ik er gaandeweg bij verzinnen.

 

Al de maanden die het schrijfproces vergen, vraag ik me elke dag af: ‘Wat ga ik vandaag op papier zetten? Sluit de inhoud logisch aan bij het voorafgaande en op wat er komen moet?’

Het eindresultaat is tot mijn eigen verbazing altijd weer verrassend. En tijdens de lange weg hier naartoe, krijg je zo nu en dan een kick van ‘het leuke’ van schrijven!

 

 

 

 

reactie Bij “Henk, waar begin je aan?” »

  1. Anne van den Berg heeft geschreven:

    Dag Henk, wat een verrassend bericht. Soms lijkt het alsof die busreis gisteren was. het zou fantastisch zijn als je kinderen van toen (' 85) na 25 jaar nog eens zou kunnen spreken en hun levensverhalen kennen. Ik reis zo met je mee hoor! Groetjes, Anne

Reageer op dit bericht

tweets

poll

Bjorn Cocquyt geeft in zijn column 'Ik heb nog nooit een dode tiener begraven' aan dat de ik-persoon in 'De engel in het gekkenhuis' niet één-op-één te vereenzelvigen is met hemzelf. Wat is wél typisch voor Bjorn zelve?