De lifter

« Terug
Auteur Jacques Graus (Het jaar van de vluchtende geest) deelt op ons verzoek weer een kort verhaal met zijn lezers. Lees 'De lifter'. 

De lifter.

We staan weer eens stil. Zodat ik hem iets beter dan steels van opzij kan bekijken. Onze ogen ontmoeten elkaar. En ik schrik bijna, zo vertrouwd als zijn blik mij voorkomt. Ik sla de mijne vlug neer en bekijk opnieuw zijn knieën. Ze zijn echt vuil. Alsof hij op zijn knieën in het zand heeft zitten bidden om een lift. Ik moet glimlachen om deze gedachte. ‘Waar lacht u om?’ vraagt hij prompt. Maar ik moet snel optrekken. De man achter me, met baard zie ik, toetert en maakt heftige gebaren. Ik heb een gat van wel twee auto’s laten vallen en onmiddellijk wordt die ruimte ingenomen door iemand die denkt dat de rij naast hem beter opschiet. ‘Zomaar,’ zeg ik en houd mijn ogen angstvallig op de weg gericht. ‘Niets gebeurt zomaar,’ zegt mijn passagier wijsgerig en hierop moet ik hem weer aankijken. Met een nieuwe schok van herkenning.

‘Ik heb u gezien in het winkelcentrum,’ zegt hij. En raakt met zijn hand licht mijn arm. Ik schrik hiervan en maak een bruusk afweergebaar. ‘Sorry,’ verontschuldigt hij zich, ‘ik wilde u niet laten schrikken.’ Vreemd genoeg gebruikt hij hierbij weer zijn hand om me te kalmeren. Nog ruwer schud ik hem van me af. ‘Niet aan me komen!’ Geschrokken trekt hij zich nu terug naar zijn raamkant. ‘Sorry,’zegt hij nogmaals, ‘ik wist niet dat u zo schrikachtig was. Ik zal u heus niets doen.’ In de achteruitkijkspiegel ontmoet ik de ogen van de baardman. Hij zit vlak op mijn bumper.

Het is of een inwendig zoeklicht mijn geheugen afspeurt. Op zoek naar momenten waarop ik ook zo geschrokken ben van een aanraking. En plots zie ik niet alleen die knieën naast me, maar het hele kwajongenslijf van Bart, mijn eerste serieuze vriend. Hij kon tijdens het rijden maar niet van me afblijven. Terwijl ik hem nog zo waarschuwde dat ik het gevaarlijk vond. Een tweede beeld schiet echter eveneens door mijn hoofd: de hand van de rijschoolhouder, die me voortdurend op alles attent maakte. Hij raakte daarbij ook telkens mijn arm, en soms zelfs mijn dij. Ik weigerde het als een ongewenste intimiteit te zien. Die man, een goede kennis van mijn vader, deed immers zijn stinkende best om een van zijn meest klunzige leerlingen klaar te stomen voor het rijexamen. Toen hij het hem lapte mij te laten slagen, nam hij me nog even mee voor een ‘ererondje’. Een gratis toegift. Ik was een en al dankbaarheid en stemde, ondanks dat ik wist dat mijn ouders op ons zaten te wachten, toe.

Op een plek met een mooi uitzicht legde hij zijn hand op mijn arm en vroeg me om te stoppen. ‘En?’ vroeg hij, ‘hoe voelt het om je rijbewijs gehaald te hebben?’ Ik straalde en zei dat ik niet wist hoe hem te bedanken. ‘Een kus,’ zei hij. ‘Een enkele kus is voldoende. Maar wel een echte!’ Lachend nam hij toen mijn hoofd in zijn handen en drukte zijn lippen op de mijne. Ik liet het beduusd gebeuren, ook dat hij met zijn tong mijn mond binnendrong en zo die echte kus afdwong. Ik moest kuchen, want de man was een zware roker. Hij begon hierop heel snel te praten. Dat hij extra zijn best had gedaan, om mijn vader een plezier te doen. En hoe verguld deze zou zijn dat het hem gelukt was. Toen hij merkte dat ik danig van streek bleef door zijn tongzoen, stapte hij uit en vroeg mij hetzelfde te doen. Hij wees naar het prachtige panorama en zei: ‘Zie je toekomst als dit landschap. Met je rijbewijs en een eigen auto kun je alles bereiken. Vooruit, wees blij! Ik ben trots op je prestatie. Nogmaals proficiat.’ Hierbij sloeg hij zijn armen om me heen en drukte me vast tegen zijn lichaam. Waarbij de toppen van zijn vingers de zijkanten van mijn borsten beroerden en ik overduidelijk een stijf wordend lid tegen mijn onderbuik voelde drukken. ‘Je rij-instructeur mag je nu eenmaal als eerste feliciteren, daar zullen je ouders wel begrip voor hebben. En dan gaan we het nu snel met hen vieren!’ Nogmaals een te amicale slag om mijn schouder en we stapten terug in de auto. Als in trance maakte ik het mee. En eenmaal thuis kon ik met geen woord reppen over het voorval. De man werd de hemel in geprezen. En at mee van de feestmaaltijd die mijn moeder had bereid. Het leek wel of niet ik, maar mijn instructeur mijn rijbewijs had gehaald. Mijn mond bleef dicht. Met de bittere nasmaak van nicotine.

Ook Barts handen heb ik niet van me afgeslagen. Enkele weken na het behalen van mijn rijbewijs had ik hem ontmoet. Met hem probeerde ik de smaak van nicotine uit mijn mond te zoenen. Het is nooit echt gelukt. Ik mocht van mijn ouders een tweedehandsje kopen. Een rode Mini. Een auto die, volgens de enthousiaste Bart, sneller in een bocht is dan op het rechte eind. Ik wilde graag alléén een proefrit maken. Maar vond op het moment dat ik wilde starten Bart in zijn afgeknipte spijkerbroek naast me. Onderweg bleef hij aan me zitten. Hij was duidelijk jaloers dat hij niet achter het stuur mocht. Helemaal in beslag genomen door de sensatie in mijn eigen autootje rond te toeren, liet ik hem na enige tijd zijn gang maar gaan. Totdat hij een van zijn handen tussen mijn benen liet glijden. In een reflex kneep ik mijn knieën samen, maar gaf tegelijkertijd een ongecontroleerde ruk aan het stuur. We strandden in een greppel naast de weg. Einde proefrit, einde relatie met Bart.

Pas na maanden ben ik op zoek durven gaan naar een andere Mini. En liet de proefrit over aan mijn vader. Die opdringerige handen, samen met die blondbehaarde knieën, zijn me blijven achtervolgen. Hoe vaak ben ik niet gillend wakker geworden. Met verkrampte handen rukkend aan een onzichtbaar stuur. Ik voel me steeds meer gespannen worden. Nog steeds rijden we, nu eens optrekkend dan weer stilstaand, niet harder dan stapvoets. En die baardman zo kort op me. Henk doet me wat als ik de kleinste kras op zíjn Mercedes durf te maken. Als een sikkel verschijnt een wrede grijns in die kortgeknipte baard. Of is het verbeten woede? Geeft hij mij de schuld van het feit dat hij niet harder kan?

‘Ik zag u naar uw auto lopen,’ zegt mijn lifter. ‘En heb nog naar u geroepen. Maar u hoorde me niet. En toen u met uw boodschappen ingestapt was, heb ik zelfs op het ruitje getikt. Ik had nog wat spullen gekocht en probeerde vanaf de parkeerplaats een ‘blind lift’ te krijgen.’ ‘Een ‘blind lift?’’ vraag ik oprecht verbaasd, terwijl ik hem opnieuw aankijk. Zijn ogen zijn al zo vertrouwd, alsof hij mijn rijbewijsleven lang naast me in de auto heeft gezeten. ‘Een wedstrijdje onder vrienden,’ antwoordt hij. ‘Kijken wie het verst komt. Maakt niet uit waar naartoe. Het gaat puur om de afstand.’ In een automatische beweging gaat zijn hand weer richting mijn arm. ‘Winkelende mensen nemen helemaal geen lifters mee, is me gebleken. Ik werd of genegeerd of botweg geweigerd. Toen ben ik maar de snelweg opgelopen, waar ik u tot mijn verbazing in de file zag staan.’

Ik krijg het ineens heel warm. En begin te zweten. Ik weet wat voor opmerking er straks zal komen als ik zoveel later dan gepland thuis zal zijn. Dat ik ook gek ben naar dit winkelcentrum te gaan met deze files. Nota bene tijdens het drukste weekend van het jaar. En ik zal weer eens niet anders kunnen dan me schuldbewust terugtrekken in mijn leeshoek. Met mijn muziekdoppen in. Wat heb ik bereikt in mijn leven? Ik heb me willoos mee laten voeren in die steeds jachtiger maalstroom. De snelheid van leven zodanig opgevoerd dat ik van de weeromstuit hier nauwelijks vooruit kom. In die gejaagdheid heb ik mezelf nooit kunnen afstoppen. Zelfs nu, met een snelheid van luttele meters per minuut, ben ik niet in staat op de rem te staan. De warmte in mijn lijf stijgt naar een kookpunt. De grijns op het gezicht van de baardman is mogelijk nog groter. En zijn auto kleeft aan mijn glimmende bumper. Ik denk aan mijn werk. Dat ik me door Henk heb laten opdringen in zijn hectische praktijk. Een echte secretaresse is te duur. Alleen zo kunnen we ons zíjn droomhuis permitteren.

Opnieuw een gat laten vallen. Een blik in de spiegel. En rechts van mij dat gezicht dat zo ongelooflijk precies dat van Bart is. Een ogenblik is het of ik me in twee tijden tegelijk bevind. Stikkend van benauwdheid. En op het moment dat ik zijn handen en lippen opnieuw in beweging zie komen, druk ik met zulk een kracht op het rempedaal alsof ik een nest schorpioenen onder mijn voetzool wil verpletteren.

Een dreunende klap. Ik sla vol met mijn hoofd tegen mijn hoofdsteun. Gelukkig is er geen pijn. Ook geen spijt. Baardman zit altijd fout. De ziedende man is al uit zijn auto gevlogen. Ook ik kan me moeiteloos uit mijn stoel hijsen. Ik keur de foeterende dwerg, hij blijkt een kop kleiner dan ik, nog geen blik waardig. Het is de eveneens inderhaast uitgestapte lifter die ik aanstaar. En die hakkelend en met zijn armen zwaaiend zijn excuses aanbiedt: ‘Sorry dat ik u heb afgeleid.’ Ik zit in mijn leeshoek, genietend van mijn lievelingsmuziek. Zoals koffie bij gebak hoort, hoort muziek bij een boek. Ik heb het Henk gezegd. Dat ik een andere, eigen baan wil. En een eigen autootje. Gek genoeg heeft hij nauwelijks geprotesteerd. ‘Als dat echt jouw wens is,’ zei hij. De hoofdpersoon in mijn boek heeft een vriend met blonde haartjes op zijn benen. En onmiddellijk zie ik weer zijn gezicht. Zijn beweeglijke handen. Ik kan er nu om glimlachen. 

Er zijn nog geen reacties Bij “De lifter” »

Reageer op dit bericht

tweets

poll

Bjorn Cocquyt geeft in zijn column 'Ik heb nog nooit een dode tiener begraven' aan dat de ik-persoon in 'De engel in het gekkenhuis' niet één-op-één te vereenzelvigen is met hemzelf. Wat is wél typisch voor Bjorn zelve?